7.6
Scapa Flow: diep, donker en gevaarlijk?
Tineke Lemmens
Het is diep, donker, koud en gevaarlijk. Dat is wat ik van tevoren lees over duiken in Scapa Flow, te midden van de Orkney eilanden ten noorden van Schotland. Daar liggen wrakken van de Duitse vloot uit de Eerste Wereldoorlog, een ‘must’ voor wrakduikers.
‘Zullen we maar beginnen met een ondiepe kantduik?’ vraag ik aan mijn duikpartner Edwin. Rijdend over de ‘Churchill Barriers’, die drie van de Orkney eilanden met elkaar verbinden, zien we links en rechts brokstukken van gezonken schepen uit het water steken. Het is dus ondiep en je kunt er vanaf een klein strandje zo het water in lopen. Een geschikte plek voor onze eerste duik. We halen eens diep adem en stappen dan het koude water in. De bodem is werkelijk bezaaid met wrakken. Het doet spookachtig aan, al die resten van schepen tussen het donkere wier. Maar al snel ontdekken we er allerlei leven: krabben, garnalen, botervisjes, zeedahlia’s en een heleboel zeehazen. Ik vergeet het donkere wier, de grillige wrakken en het spookgevoel en doe mijn best om de grote naaktslakken goed op de foto te krijgen.
Verrassend
Nu we eenmaal in het noordelijke water kopje onder zijn geweest, voelen we ons klaar voor de eerste bootduik in de ‘Flow’. In Scapa Flow hebben de Duitsers in 1919 hun eigen vloot tot zinken gebracht om te voorkomen dat die in handen zou vallen van de Engelsen. De meeste van die schepen zijn later geborgen. Nu liggen er nog vier kruisers: Brummer, Köln, Dresden en Karlsruhe en drie slagschepen: Kronprinz Wilhelm, Markgraf en König. Ons eerste wrak van dit rijtje wordt de Brummer. Het is zo mistig dat de ferry die vanaf het vasteland komt elke minuut moet toeteren omdat hij bijna niet te zien is. Maar het waait niet, dus is het voor Schotse begrippen geen slecht duikweer. We zijn de enige duikers op de Brummer vandaag. Het zicht is prima. We volgen onze gids langs de boeilijn naar beneden en naar de boeg van het wrak. Vanaf hier kun je er doorheen zwemmen tot bijna bij de brug. Ontspannen drijven we met de stroming mee. Het is zo helder dat ik mijn lamp uitdoe. Zo heb ik een prachtig zicht door de lichtval van boven en opzij door alle gaten in het wrak. Een verrassende eerste duik.
Verticale bloementuin.
Nu hebben we de smaak te pakken! De Köln en de Dresden zijn net als de Brummer indrukwekkende wrakken. De Köln zit vol met kleine zilveren visjes. Als ik mijn lamp uitdoe, komen ze heel dichtbij. Ik houd even mijn adem in, en dan zitten ze al bijna tegen mijn bril aan! We zien ook grote baarzen, pollakken, lipvissen en veel naaktslakken. We hebben zelfs, tot grote hilariteit van onze kapitein, een onderwaterloep mee naar beneden genomen, om de kleine slakjes beter te kunnen bekijken. ‘Andere duikers komen voor de grote wrakken,’ zei hij lachend, ‘maar jullie kijken door een vergrootglas!’ De Karlsruhe ligt, net als de andere drie cruisers, op haar zij. Dit is mijn persoonlijke favoriet, want de achterkant is weelderig begroeid met roze en witte zeeanjelieren zo groot als bloemkolen, dodemansduim, zonnesterren, zeedahlia’s en veerhydroïden in allerlei kleuren. Net een verticale bloementuin!
Koud en diep
Koud is het wel, ondanks dat het hoogzomer is. We kopen nieuwe thermische onderkleding plus stoere mutsen en Edwin bestelt zelfs een nieuw droogpak want van zijn oude pak trekt hij definitief de rits kapot. Het nieuwe pak wordt binnen een paar dagen op maat gemaakt! Diep kan het ook zijn. We dalen af op de Kronprinz Wilhelm. Het is donker. In de diepte valt niets te onderscheiden, onze enige houvast is de boeilijn die we volgen. Het lijkt een eeuwigheid te duren voordat ik wat begroeiing zie. Ik kijk op mijn dieptemeter: 15 meter pas! Dit kan de bodem nog niet zijn. En het is ook niet zo: we bevinden ons op de kiel van het enorme gevaarte, dat ondersteboven op de zeebodem ligt. Onder ons gaat het nog minstens twintig meter verder de zwarte diepte in. Met de kriebels in mijn buik volg ik de lijn verder tot aan de rand en erover, naar beneden. Indrukwekkend is het zeker: 25390 ton zwaar en 177 meter lang is dit wrak. Helaas liggen alledrie de slagschepen op hun kop: topzwaar en gekanteld toen ze zonken. We zwemmen onder de overhang van het dek naar de reusachtige kanonnen en vervolgens richting de achtersteven, waar de gigantische roerplaten nog te herkennen zijn. In het ondiepere gedeelte is ook dit wrak mooi begroeid en kunnen we even op adem komen.
Klepperende kunstgebitten
Behalve die van de Duitse vloot, liggen er nog veel meer wrakken in dit gebied. De Tabarka bijvoorbeeld, een van de ‘blokschepen’, gezonken in Burra Sound om de toegang tot Scapa Flow te blokkeren in de Tweede Wereldoorlog. In Burra Sound heerst – anders dan in de ‘Flow’ – wel getijdestroming. We moeten dus rekening houden met de kentering en kunnen deze duik pas doen als de mist optrekt, anders kan de kapitein onze decoballon niet zien. Tot op het laatste moment is het onzeker of het gaat lukken. Maar zodra we de hoek om varen, is de mist plotseling verdwenen: de duik gaat door! Op de kentering springen we het water in. Er ligt geen boei op de Tabarka, maar we zitten meteen goed. In de zijkant van het wrak zitten grote openingen waar we doorheen kunnen zwemmen. Het is de bedoeling dat we de hele duik binnen in het wrak blijven, zo hebben we geen last van de stroming. We zwemmen over de drie boilers naar de machinekamer en verder door naar achteren. Het is niet diep – maximaal 15 meter – en de naar binnen schijnende zon benadrukt de helderheid van het water. Het uitzicht is bijzonder: alsof je vanuit een druipsteengrot naar buiten kijkt. We zien drie of vier verschillende soorten naaktslakken. Sint Jacobsschelpen komen ons klepperend als speelgoed-kunstgebitjes tegemoet over de bodem. En er zitten miljoenen roze ‘onderwater-aliens’, die door de plaatselijke duikers ‘Tabarka Bugs’ genoemd worden. ‘Ghost Shrimp’, lees ik later. Intussen is de stroming behoorlijk toegenomen. Tijd om op te stijgen. Buiten het wrak laten we de decoballon op. Ineens zie ik in mijn ooghoek iets groots en grijs schuin onder ons zwemmen. Ik schrik me lam, wat is dat! Het blijkt niks gevaarlijks te zijn: een zeehond! Hij kijkt ons ondeugend aan en zwemt naar de oppervlakte. Twee keer komt hij terug, draait om ons heen en onder ons door en knabbelt zelfs even aan de vinnen van Edwin. Nu moeten we echt omhoog want de stroming trekt ons steeds verder mee richting Atlantische Oceaan.
Boven water
Het is ongelooflijk, maar van het ene op het andere moment is het stralend zonnig weer. En ook boven water zijn de Orkney eilanden niet zoals ik van tevoren had gedacht. Niet ruig en grijs, maar lieflijk glooiend en groen. Er zijn interessante dingen te zien: de Ring of Brodgar, een prehistorische stenencirkel, Skara Brae, een opgraving van een dorp uit de steentijd en Maes Howe, een grafkamer met ‘graffitti’ van de Vikingen. In het gras langs de kliffen zie ik hier en daar mensen op hun knieën liggen. Ze fotograferen piepkleine paarse bloemetjes: de ‘Scottish Primrose’, zeldzaam en beschermd. Pluk ze niet, want dat brengt – natuurlijk – ongeluk. Wij gaan er ook voor op de knietjes; de minuscule bloemetjes ruiken nog lekker ook! We rijden naar Birsay, een eilandje waar je alleen met laagwater kunt komen. Daar is een prehistorische opgraving te bewonderen, maar wij steken alleen even over om er in het gras te gaan liggen. Dit is echt vakantie: in de zon naar de wolken staren... Ik denk terug aan mijn duiken in Scapa Flow. Hoe vond ik het? Koud? Dat viel met goede onderkleding en een droogpak uiteindelijk wel mee. Donker? Ik heb regelmatig mijn lamp onder water uit gedaan om te genieten van het invallende zonlicht. Diep? Soms wel, ja. Maar het was ook mooi, indrukwekkend, avontuurlijk en verrassend. We zullen hier absoluut terugkomen en weten nu: duiken in Scapa Flow is vooral… verslavend!


