6.4
Hoe ik werd aangevallen door Nemo, maar de haai geen interesse toonde
Lisa Broekhuizen
Mijn eerste verre duikvakantie was dit jaar naar Indonesië. Ik had één week de tijd om te duiken. Elf duiken in totaal. Dit verhaal gaat over mijn eerste duik sinds een jaar. De mooiste duik die ik ooit gemaakt heb, met de mooiste zeewezens.
Bali, Indonesië. Een bijzondere plek op de wereld, althans voor mij. Zo normaal als maar kan voor de lokale bevolking, uiteraard. Laat me je meenemen naar Amed, een vissersdorp aan de noordoostkant van het eiland. Amed bestaat uit een straat. Dan een hele tijd niets, oké, een weg, een gezin wat langs de weg flessen benzine verkoopt, en een berg. Dan gaat Amed weer verder. Wat er verder komt, is niet interessant. Daar hoeven we niet heen. Het is toch te heet voor een lange wandeling. Wij gaan naar het water. Met onze shorties aan, trimvest paraat en loodgordel omgehangen stappen we in de jukung, een boot die hier al eeuwen gebruikt wordt. Deze jukung ziet er overigens uit alsof hij zelf ook al eeuwen gebruikt wordt.
Voor de zekerheid houd ik mijn hand bij de automaat, klaar om hem in een noodgeval in mijn mond te stoppen. Er zijn veel duikplekken hier. Er zijn twee wrakken, een Amerikaanse en een Japanse, er zijn koraaltuinen en nog veel meer mooie plekjes onder de golvende massa. Vandaag blijven we in de buurt. Na een korte boottocht komen we bij de Amed Wall, zoals de naam al zegt een wand vlakbij Amed. We laten ons in het water glijden. Vervolgens klampen we ons vast aan de drijvers, die bedoeld zijn om de boot in evenwicht te houden. Zo stromen we tenminste niet weg. Als eindelijk iedereen van onze groep in het water is, zijn duikuitrusting gecontroleerd heeft en klaar is voor de afdaling, zwemmen we weg van de boot. Op naar de diepte. De eerste paar meters voelen oncomfortabel. Iedere keer weer klaren, de druk van het water op je hele lichaam, een gedesoriënteerd gevoel als je rechtop af probeert te dalen zonder touw of referentiepunt, maar als snel liggen we op onze buik in het water. In een klap is alles in orde. Het geluid van de belletjes die naar lucht snakkend opstijgen, de zachte koralen die meebewegen met de deining van het water en de vissen die in grote scholen om ons heen zwemmen.
Alle zorgen zijn vergeten. Alleen de gids heeft nog zorgen over. Keer op keer laat hij zijn duikbril vollopen om hem vervolgens weer te legen. Zijn bril beslaat, begrijpt iedereen. Hij heeft niet genoeg tandpasta gebruikt. Rechts van ons steekt een muur omhoog en omlaag. We zijn nu ongeveer veertien meter diep, en bijna op de bodem. Verderop wordt het dieper. De hele groep kijkt naar de koralen en kleine visjes rechts. Ik kijk naar het diepe blauw links. Het is een kleur die nergens na te maken is. Er zijn geen grote vissen meer om ons heen, maar het valt mij nauwelijks op. Alles is rust. Een beweging in mijn ooghoek trekt mijn aandacht. Een enorme schildpad zwemt aan ons voorbij. Voor een moment kijk ik naar hem. Hij kijkt niet op of om van de duikers in zijn gebied. We zijn simpelweg niet interessant genoeg. Ik kijk snel om me heen. Ik trek aan de eerste de beste zwemvlies die ik zie. Een mededuiker kijkt geschrokken om zich heen. Ik wijs. Nog net zien we de schilpad uit ons zicht verdwijnen. Ik wil hem langer zien. Met krachtige beenslagen zwem ik achter hem aan. Pas op dit moment merk ik hoe sterk de stroming eigenlijk is. Ik kom nauwelijks vooruit. Na een keer knipperen met mijn ogen is de schilpad weg. Er was toch al geen mogelijkheid dat ik hem bij kon houden. Met zijn kleine vinnen kan hij zoveel meer kracht zetten dan ik met die grote vliezen aan mijn voeten. Ik put mezelf uit, terwijl hij nergens last van heeft. Ik keer me om en zwem verder, de groep achterna. Nauwelijks hoef ik mijn benen te gebruiken, zo sterk is de stroming. Nu kijk ik vooral naar de koralen en kleine visjes rechts van ons, net als de rest van de groep. Ik kan het alleen niet laten iedere paar minuten een blik naar links te werpen. Wie weet wat ik nog te zien kan krijgen.
We zwemmen nu boven koralen en ertussendoor. We zitten op ongeveer acht meter diep, overal is kleur. Vlak langs ons zwemt een enorme vis met een bobbel op zijn hoofd. ‘Napoleon fish’, zouden onze Franse duikgenoten hem later noemen, ‘bumphead parrotfish’, zal de Indonesische instructeur hem noemen, beide zullen ze de rest van de duik in zeer slecht engels nabespreken. Pas veel later, thuis achter internet, zal ik erachter komen wat de Nederlandse naam is; ‘Bultkoppapegaaivis’. Zijn grootte schat ik op een meter. Hij kwam van achteren zwemmen, en rukt nu met zijn bek een stuk koraal af. Hij laat het vallen. Als hij een paar meter voor ons zwemt, besluit hij zijn ontlasting eens los te laten. Het zwemt toch anders in de zee nadat je een enorm beest erin hebt zien schijten. Binnen de volgende paar minuten zullen we er nog vijf langs zien zwemmen, waarvan de kleinste, nog meer dan een halve meter in lengte, ons tot dichtbij benaderd voordat hij besluit dat koraal slopen leuker is dan dat wij zijn. Daarna zijn ze weg. Geen een die meer langs zwemt in de verte, allemaal net zo verdwenen als de schildpad.
We laten ons door de stroming verder voeren, tot we bij een anemoon zijn. Daar houdt de gids stil. Er zitten twee anemoonvisjes in, clownfish of ‘Nemo’s’, zoals ze op de duikschool genoemd worden. Het is een iets grotere soort dan de meeste mensen voor zich zullen zien. Een centimeter of zes, schat ik in. De gids zwemt tot vlak bij de anemoon. De visjes trekken zich terug. Dan komt hij te dichtbij. Nemo is nauwelijks te zien, zo snel schiet hij naar voren. Hij lanceert zich op de duikbril. 'Dat moet ik ook proberen,' is het eerste wat ik denk. Ik kom dichterbij, en ja hoor, de vis begint ook mij aan te vallen. Er zit nog een behoorlijke kracht in zo’n klein visje, zeker als hij met volle snelheid zijn huis beschermt. Het voelt grappig aan, maar het idee dat zo’n klein beestje een mens aan durft te vallen is nog grappiger. Aan de andere kant, zelfs al zou ik willen, zou ik hem nooit met mijn blote handen kunnen vangen. Hij valt voor de tweede keer aan, deze keer is mijn hand het slachtoffer. Ik begin te lachen. Ik kan het niet helpen. Het lacht niet makkelijk met een automaat ik je mond. Iedere keer vult mijn mond zich met water, maar ik blijf lachen. Dan zie ik de rest van de groep verder zwemmen. Ik ga er achteraan. Dag agressieve clownvis.
Vlak voor we de duik beëindigen, we zitten al bijna een uur onder water, heeft iemand uit de groep problemen met zijn zwemvlies. We dalen en nemen even rust op de grond. Deze bestaat hier uit zand, niet uit koraal, dus we kunnen hem veilig aanraken. Ik laat met mijn hand het zand opstuiven. Wie weet wat voor een krabbetjes en scholletjes erin zitten. 'Tik-tik-tik', klikt het. Ik kijk op. De gids wijst naar voren. Een zwartpunt rifhaai zwemt voorbij. Hij kijkt een keer naar ons, en zwemt verder. Het is een totale rust die hij uitstraalt. Het is alsof er geen zorgen op de wereld zijn, alsof er niets anders is dan het water, en een lekker visje als je honger hebt. Volkomen kalm glijdt hij verder, ons negerend. Als snel is ook dit wezen uit de diepte verdwenen. Alles lijkt zo rustig onder water, maar de kalmte lost zo snel op in het niets. Na nog een klein stukje zwemmen stijgen we op. Ik heb nog tien duiken staan in deze vakantie. Stuk voor stuk zou ik ze niet willen missen. Maar deze duik is zeker de mooiste. We klimmen met moeite aan boord van de jukung en varen terug naar het land. Eigenlijk wil ik niet meer terug aan land. Gelukkig mag ik morgen weer.
Aan land aangekomen slepen de gids en de bootbestuurder de jukung aan land. Een groep oud uitziende vrouwen komt naar ons toegelopen en draagt onze uitrusting aan land. Het is vreemd voor mij, dat dit soort dingen gedaan worden. Hoort het lopen met je eigen spullen niet net zo goed bij het duiken als het onderwater zijn? Er is mij al verteld dat dit hun manier van geld verdienen is, en dat ik hen een gunst bewijs door ze met mijn spullen te laten lopen. Zo voelt het niet. Zeker niet als je ziet hoe de veel jonge Indonesische mannen de hele dag een beetje rondhangen. Zouden die niet het zware werk kunnen doen? Want op andere plaatsen op het eiland is het al net zo, zo had ik al gezien. Alleen daar lopen de oude vrouwen niet met duikflessen op hun hoofd, maar met stoeptegels, of stukken asfalt. Nou ja, het verbeteren van de wereld doe ik wel weer als ik terug ben van vakantie. Nu duiken. Nu genieten.

