LOGIN
Hoofdsponsors: Lazywave Duikmagazine
Gemiddelde cijfer
5.8

De 7 Broeders moet men verdienen!

Rudi Schollaert

Djibouti | 28-05-2009 | 372x gelezen

Rustig varen wij de drukke haven van Djibouti binnen. De zee is spiegelglad. Aan onze rechterkant verheffen zich op een vooruitspringende landtong de militaire gebouwen met het présidentieel paleis.Op de uiterste punt ervan ligt het nieuwe vijfsterren hotel van de Kadinsky groep. Een luxeus complex dat voornamelijk bezocht wordt door rijkaarts en sjeiks met hun minnaressen. Drie kilometer verder blaken onder de felle zon op een heuvel de miserabele sloppenwijken (bidonvilles) van de hoofdstad.
 


Aan de militaire kaai meren twee reuze kruisers...Amerikanen! (We are the biggest!) Van zodra we op hoogte glijden van de slagschepen komt een open motorboot op volle snelheid naar ons toegevaren. Vier mariniers met mitraillette in aanslag bemannen de boot. Eén van hen neemt een megafoon ter hand en schreeuwt ons toe: “ We only give one warning, then we shoot! You have to stay at least 400 yards from our ships.”...een bondig maar duidelijk bevel waar onze kapitein Armand zich ogenblikkelijk aan houdt. Hij weet te vertellen dat 2 jaar geleden een Amerikaanse destroyer in de Golf van Aden het slachtoffer was geworden van een klein vissersbootje die ze niks vermoedend langszij hadden laten naderen tot het plots ontplofte door een zelfmoordaktie waarbij een groot gat werd geblazen in het scheepspantser en acht mariniers werden gedood...een ezel stampt zich nooit tweemaal aan dezelfde steen!
 
ALGEMEEN: Djibouti, dat waarschijnlijk door de oude Egyptenaren gekend was als het verre‘Land van Punt’, werd in 1855 een Frans protectoraat (genaamd Ras Jaboutil) door een verdrag ondertekend tussen Frankrijk en de Sultan van Gobaad. In 1946, na de Tweede Wereldoorlog, werd het een Frans Overzees département met als nieuwe benaming ‘Côte Française de Somalia’. Op 27 juli 1977 werd Djibouti, dank zij vrije verkiezingen, een democratische republiek met als eerste president Hassan Gouled Aptidon en als huidige opvolger de in april 1999 verkozen president Isamil Omar Guelleh. Het is een klein land, gelegen in de hoorn van Afrika, genesteld tussen Eritrea en Somalië en is economisch weinig belangrijk. De kustlijn heeft een lengte van 370km tot aan de Golf van Aden, waar de Rode Zee en de Indische oceaan in elkaar vloeien. De watertemperatuur bedraagt het hele jaar door zo’n 29°C en er is, u raadt het al, geen noemenswaardige regenval. Het toerisme is praktisch nihil te noemen. De armoede in Djibouti is schrijnend. Het land is volledig afhankelijk van de import. Het kan zelfs niet voldoende produceren om zijn eigen bevolking (+/- 500.000 inwoners) te voeden, en bovendien zijn er nog zo’n 100.000 vluchtelingen afkomstig uit buurlanden Eritrea en Somalië, waar al jarenlang een burgeroorlog woedt met het gevolg dat buiten de hoofdstad verschillende sloppenwijken zijn opgetrokken. Djibouti’s grootste troef echter is de haven met haar strategische ligging tussen de toegang van de Rode Zee en de Golf van Aden, gekend om zijn piraterij. Hier komt alle zeetraffic voorbij tussen Suez en het Midden-Oosten.
 
DE VLUCHT: Vanuit de drukke luchthaven Charles de Gaulle (Parijs) is het 7.30’ vliegen naar Djibouti. Wij vlogen met het voor mij onbekende Daallo Airways die een regelmatige verbinding heeft met dat land vanuit Londen met tussenlanding in Parijs, een goedkope doch oncomfortabele vlucht, want niet alleen de zetels bleken niet verstelbaar maar tevens zat het vliegtuig bomvol met hele gezinnen moslims die in een eindeloze fille de ganse nacht aanschoven voor de zes toiletten...maar ja, dat moet men erbij nemen! Daar we opstegen om 23.30h kwamen wij na een slapeloze nacht om 8.30h (plaatselijke tijd ’s morgens) aan op de kleine internationale luchthaven. Onze reisagent ‘Wildwater/Trails’ werkt er samen met de plaatselijke touroperator ‘Dolphin Excursions’ die ons met een busje opwachtte aan de uitgang van de luchthaven. Na een korte rit werden wij afgezet op de kaai van de jachthaven waar een paar excursieboten dobberden, waaronder onze duikboot ‘m/s Deli’ dat eruit zag als een piratenschip en tijdens de komende 7 dagen onze vaste verblijfsstek ging worden. Tot mijn verbazing lag hier ook het duikjacht ‘Alpha Red Sea’ aangemeerd, eigendom van het gelijknamig duikcentrum in Safaga/Egypte met eigenaars Jonathan en Brigitte die 2 jaar geleden hun deuren hebben moeten sluiten. Ze bleken dus uitgeweken naar hier om aan de kost te komen. Volgens onze kapitein charterden ze vooral ééndags duikers- en vissers.
 
DUIKCRUISE MET DE M/S DELI: Het zeiljacht, een houten tweemaster van het type brigantijn, werd in 2001 gebouwd op de scheepswerf van Bodrum in Turkije en geregistreerd in Valleta onder Maltese vlag. Het nostalgische gevaarte meet 26m lang op 7m breed en beschikt over 6 kajuiten (met aparte douche en toilet) die onderdak bezorgen aan een maximum van 12 duikers + bemanning. Verder is er aan boord een ruim zonnedek, een extra buitendouche en een gezellige eetruimte met bar in open lucht. Bij slecht weer kan het salon de 12 passagiers en kapitein moeiteloos herbergen. Het voorste gedeelte van de boot is gereserveerd voor alle duikmateriaal van de gasten. Tevens staan de duikflessen en 2 compressors er opgesteld. Je hoeft echter geen storend lawaai te vrezen, aangezien de lege flessen worden gevuld tijdens het duiken. Hierbij voor de geinteresseerden de verdere gegevens over de m/s Deli: Motor: MAN turbo 280HP Generator: 220V / 33KWA Water capaciteit: 8.000 litres Brandstofvoorraad: 4.000 litres Kruissnelheid: 8 knots (15 km/uur) Navigatie instrumenten: GPS, VHF, tél.satelliet Duikmateriaal: 30 alu flessen, 12 litres INT/DIN, 2 compressors Bauer Mariner, 2 boten geschikt voor elk 6 duikers voorzien van een 40 HP buitenboord motor. Veiligheid: 50 liter zuurstoffles/200 bar, EHBO kit, brandblussers, life jackets. Bemanning: Tijdens de periode dat ik er was bestond ze uit de Franse kapitein Armand Cecchini, de Spaanse divemaster Vicente Pastor, een kok en 3 helpers. Armand was een gewezen officier marineduiker gedetacheerd in het verre Nieuw Calédonië. Hij leerde er een vriendin kennen, kregen samen een dochtertje, nam ontslag in het leger en kocht zich een zeiljacht (type Ketch). Daar hij tevens CMAS instructeur was verdiende hij zijn boterham door zich te verhuren aan diverse duikcentra. Op zeker ogenblik kreeg hij een aanbod van Dolphin Excursions omals kapitein te fungeren op hun nieuw gebouwde duikboot. Het bod stond hem aan en hij zeilde de Stille en Indische Oceaan over naar Djibouti. Vicente werktte als divemaster in Thailand, Malediven, Yemen en Ethiopiê om zich uiteindelijk op vijfenveertig jarige leeftijd in te kopen in de Dolphin firma.
 
DE DUIKPLAATSEN: De natuur is nog steeds wild en ongerept in Djibouti, en dit vertaalt zich ook onderwater. Dit komt door haar unieke ligging tegenover Bab-El-Mandeb, de zuidelijke toegang tot de Rode Zee, een nauwe ondiepte waardoor de Indische oceaan haar getijde water in en uit pompt. Daardoor onstaat er een grote aanvoer van plankton zodat men er een heel gevarieerde onderwaterwereld kan bewonderen: van macro tot de grootste van de grote jongens: de jaarlijke trek van de walvishaaien naar de Golf van Tadjourah die men gemakkelijk kan observeren van oktober tot maart. We onderscheiden 3 belangrijke duikregio’s in Djibouti: 1) De Golf van Ghoubet en Tadjourah : Dit is een minder gekend duikgebied, maar het is deze plaats die de walvishaaien hebben uitgekozen om uit te rusten en zich te voeden tijdens de maanden oktober tot maart, vooral in de regio “Arta”. Hier heerst een slechte zichtbaarheid en het water ziet er groen. Maar de toevloed van groot leven is uitzonderlijk en scholen barracuda’s worden vaak waargenomen. Verschillende haaiensoorten en mantas zijn er het hele jaar door aanwezig, maar deze zijn beter te zien vanaf midden maart wanneer het zicht opklaard. In die periode is het dan weer minder evident om een walvishaai te ontmoeten, maar zeker niet uitgesloten. In de Golf van Tadjourah kunnen ook beginners duiken, omdat er op 2 duiken na, bijna geen stroming is. In de kleinere eraanpalende Golf van Ghoubet is er één bijzondere duiksite die je zeker moet doen: La Faille. Het is hier dat de Afar depressie begint. Een breuk veroorzaakt door de verschuiving van twee aardplaten op slechts 5 km diepte. Deze breuklijn wordt jaarlijks 2 cm wijder en zal binnen een paar miljoen jaar samen met de Rode Zee en de Golf van Aden een nieuwe zee vormen, de Eritrea Oceaan, groter dan de Atlantische Oceaan. De trog start in het zoute Asal Meer en verwijderd zich progressief vanaf de Ghoubet Golf. Op 10m diepte kan men erin duiken tot maximum –50m. Rond u kan je dan alle gestolde lava constructies bewonderen, een uiting van vulkanische kunst. Let op bij het palmen! Het neerdwarrelen van de sedimenten kan je de terugweg verduisteren. 2) De kustzone rond Obock en Djibouti met de eilandengroep Maskali en Moucha: Beschikt over 8 plaatsen waarvan men sommigen vanaf de kant kan beduiken. Daar we echter slechts over 7 dagen beschikten moesten wij een keus maken tussen de Golf van Tadjourah en de Zeven Broeders en daar het reeds april was en de kans op veel walvishaaien te zien miniem werd kozen we voor optie 2. Daar het 7 uur varen was naar Les Sept Fréres maakten we onze eerste testduik in de vroege namiddag op Moucha. De plaats noemde de ‘canyon’ maar had met die benaming niks te maken want het bleek gewoon een koraalrichel te zijn met een maximumdiepte van 15 m. Het zicht was archieslecht (3 à 4 m horizontaal) maar gelukkig met vele scholen kleurrijke vissen. Op de terugweg, na een zesdaags verblijf op de zeven broeders, doken we vroeg in de morgen op ‘La Marche’, een duikplaats gelegen dichtbij de vuurtoren Ras Bir, ten noorden van de vroegere hoofdstad Obock, nu verwilderd tot een honderdtal bouwvallige huizen. ‘La Marche’ is speciaal. Een langzame helling uit koraalzand dat op 18m diepte eindigd op een rechte wand die naar –60m stuikt. De wand is schitterend begroeidt met reuze witte waaiergorgonen die heen en weer deinen in de flauwe stroming. In het blauw zag ik een paar tonijnen, een school barracuda’s en arendsroggen voorbij trekken. Na een kort wandelbezoek aan Obock ankerde de ‘Deli’ in de namiddag op Maskali waar we twee duiken deden, één op ‘La Bouée Air Françe’ en één op het ‘Musha wrak’, een cargo die men ook ‘The Phaon’ noemt. De ’Phaon’ was de moeite waard. Deze cargo van 135m lang is gezonken in de vaargeul naar Djibouti-haven. Ze rust op –30m op een zanderig bodem en vertoonde zich intakt met een veelvoud aan vissen. Indrukwekkend zijn de twee grote schroeven. Spijtig dat de zichtbaarheid hier tegenviel, niet meer dan 6 à 8 meter horizontaal. Maar waarschijnlijk is gans de zone rond de eilandengroep Maskali en Moucha even slecht door de nabijheid van de vele schepen die hier voorbijvaren, want hetzelfde stelden we vast bij onze laatste duik op ‘La Bouée Air Françe’. De duikplaats werd zo gedoopt omdat veel personeel van genaamde vliegtuigmaatschappij, hier tijdens hun rustdagen komen duiken. In feite geen afsluitingsduik van een toffe vakantie waard. 3) Les sept frères: Rond de eilanden “les sept frères” is het duiken heel gevarieerd. Deze eilanden liggen in de Golf van Aden aan de ingang van de straat van ‘Bab-El-Mandeb’, rechtover het slechts 20 km verwijderde Zuid Yemen. In feite gaat het om zes eilanden die uit zee verrijzen vanop een ondiep plateau (-50 m) dat een verlengde is van de ver in zee vooruitspringende kaap Ras Siyan dat als zevende broeder wordt geteld. Het is een gebied voor ervaren duikers. Stromingen en duikomstandigheden kunnen behoorlijk hevig zijn. Zeecondities zijn nooit makkelijk. Ankeren is een hele opdracht en er zijn soms hoge golven en hevige stromingen die het voor schipper en duikers niet makkelijk maken. Dit is natuurlijk in het voordeel van de biodiversiteit waar we het al eerder over hadden. Hier is het puur genieten geblazen van de prachtige riffen, grote scholen vis en diverse rifsoorten. Meerdere soorten murenen, roggen en verpleegster haaien zitten verscholen in spleten of grotten. Scholen barracuda’s, jagende tonijnen, grote baarzen en schildpadden komen nieuwsgierig kijken, maar ook vele families dolfijnen vinden hier een ideale thuis. De beste periode om naar hier te komen is van april tot juni. In mei is er doorgaans een goede zichtbaarheid. Omwille van de moeilijke condities wordt deze bestemming enkel nog aangeboden aan duikgroepen die de volledige boot charteren, wel te verstaan met een minimum van 8 deelnemers.
 
HET DUIKGEBEUREN: Tijdens de oversteek stond er 5 à 6 Beaufort zeegang waardoor ons ‘galjoen’ moeizaam vooruit geraakte. De zon was dan ook achter de wijdse horizon verdwenen toen we eindelijk de rustige baai van Kadda Dabali (Ille Grande) binnen vaarden om het anker uit te werpen. Divemaster Vizence legde uit dat de boot hier bleef liggen de tijd van ons verblijf. Het duiken zou gebeuren met de twee annexen elk voorzien van een 40PK buitenboordmotor. daar we maar met 10 duikers waren, hij inbegrepen, konden we ons mooi verdelen. Dagindeling zag er uit als volg: Opstaan om 6.30 (De morgenstond heeft goud in de mond!) met licht ontbijt,d.w.z: Koekjes Madelaine met koffie of thee. Uitvaren om 7h en duik van maximum 1 uur op één van de eilanden. Om 8.30h uitgebreid ontbijt met fruitsap, eieren en spek, geroosterd brood met chocoladepasta en confituur. 10h: tweede duik. 12.30h: licht middagmaal en siësta. 15h: derde duik met erna koffie en theepauze. 18.30: vierde duik (nachtduik want de zon was reeds onder) 20h: uitgebreid avondmaal met vers gevangen vis of diepvries kip of pikante worst met groenten en fruit. Koffie, thee en water waren gratis à volonté. Bier, frisdrank en wijn te betalen. Tevens was de bar van de kapitein goed bevoorraad met diverse alcoholische dranken. Hoe dan ook lag iedereen meestal voldaan en vermoeid om 22h in bed. Dus de belofte van Wildwater dat we minstens 16 duiken gingen maken was ruim overschreden en dit zonder bijkomende vergoeding! Zeer aangenaam was de service aan boord. Als duiker hoefde je weinig te sleuren met materiaal want dit werd allemaal gedaan door de crew: monteren en demonteren van de flessen. Het overbrengen en wegbrengen van het duikmateriaal naar en van de annexen en tijdens onze onderdompeling visten ze zodat wij dagelijks onze portie verse vis konden verobberen. De desolate eilandengroep ‘Les 7 Frères’ bestaat uit: Ras Siyan (de uit het vasteland vooruitspringende hoge Kaap) / Hamra (Ile de l’ouest) / Rhounda Dabali (I.Double) / Tolka (I.Basse) / Kadda Dabali (I.Grande) / Horod le Rhale (I.de l’est) en Rhounda Komaytou (I.du sud). Toen we ’s morgens wakker werden merkten we een eenzaam tentje op het korte strand van het eiland . Een viertal personen trokken een motorsloep in het water. Rond de tent stonden zekers een honderdtal gele plastieke bussen van 20 liter inhoud neergezet. Vizence legde ons uit dat het Yemenieten betrof die aan de voorbij varende vissers benzine verkochten daar de fuel in Djiboutie, Eritrea en Ethiopië drie maal meer kostte dan in Yemen. Om de week kwam er een aflossingsploeg met nieuwe voorraad. Wij hebben schitterende duiken gemaakt, nooit dieper dan 40m met een maximum tijd van 70 minuten. Wij doken tussen scholen enorm grote baarzen (hetgeen de fransen ‘des loches’ noemen), arendsroggen, barracuda’s, bultkop napoleons, jagende tonijnen en horsmakrelen. Ook schildpadden lieten zich met de regelmaat van een klok bewonderen. De onderzeese wanden van deze basalteilanden waren begroeid met velden ongeschonden koralen. Dit was de Egyptische Rode Zee van 30 jaar geleden met een veelvoud aan vissen en groter van formaat. Spijtig genoeg spotten we slechts enkele haaien, vooral verpleegster, wit- en zwarttip beesten. Vizence wist ons te vertellen dat er nog steeds gevist werd door de Yemeni op de haaienpopulatie voor hun vinnen om uit te voeren naar de Aziatische markten. Twee gedenkwaardige duiken maakten we de vierde dag. Op een diepte van 12 meter, boven een zandvlakte, kregen we het gezelschap van een groep dolfijnen. Gedurende meer dan een halfuur zwommen ze met en rond ons, maakten diverse capriolen en kwamen met hun spitse snuit tot voor ons duikmasker nieuwsgierig kijken...onvergetelijk! De laatste dag voor onze terugreis naar Djibouti had Armand iets speciaals in petto, een duik op een wrak ontdekt midden 2008. Over de herkomst en benaming is er nog steeds discussie maar men noemde het uiteindelijk ‘La Dame Blanche’ doordat de ganse romp begroeid was met reuzegrote witte gorgonen. Het wrak, waarschijnlijk een Liberty transportschip uit de Tweede Wereldoorlog, lag even ten zuiden van Siyyan Himar, één van de eilandjes van de Seba groep op ongeveer 20 minuten varen naar het noorden met de motorboot. Doordat Vicenze de positie had op zijn draagbare GPS dienden we niet lang te zoeken. Een markeerboei met ankerlijn werd op het wrak uitgegooid. Er zat stroming, gelukkig niet teveel toen we afdaalden. De cargo lag op haar stuurboordzijde op een diepte van 38 m. in haar bakboordflank, ter hoogte van het stuurhuis gapende een enorm gat te wijten aan een torpedoinslag. Op het bodemzand lag de afgebroken kraanmast. Wat ogenblikkelijk opviel was de intaktheid van het wrak. Er was nog niks geplunderd. Alle patrijspoorten zater er nog in. In de keuken koekten de vele serviezen aan elkaar. Tot mijn verbazing huisde er weinig vis op en rond het schip, hoe dan ook, het was de moeite waard geweest, vooral als afsluitingsduik van ons bezoek aan de 7 Frères.
 
UNIEKE UITSTAP NAAR LAC ASSAL: 130 km ten westen van Djibouti stad ligt Lake Assal. Als ééndags uitstap is deze bijzondere unieke plaats zowel toeristisch als geologisch een bezoek waard. Het meer ligt 153m beneden de zeespiegel en is volledig omcirkeld met vulkanen. De jongste vulkaan ‘Ardoukoba’ die nog een uitbarsting kende in november 1978 zorgde voor een apocalyptisch landschap met over elkaar geschoven platen zwart gestolde lava...Dante’s inferno! Langs de nieuwe aangelegde asfaltweg naar het meer, aangelegd met subsidies van de Europese Gemeenschap, maak je twee sightseeings stops. De eerste is een zicht op een kleinere broer van de Amerikaanse Grand Canyon, ontstaan door de continentaal drift van de twee tectonische platen. Het maakt deel uit van het 4000km lange Great Rift Valley, dat zich uitstrekt vanaf libanon tot aan Mozambique. Een paar kilometer verder stapten wij uit op de rand van een hoge indrukwekkende vertikale klippenkust om de Ghoubet-Al-Kharab baai te bewonderen, dat in verbinding staat langs een nauwe toegang met de Golf van Tadjourah. En dan rijdend van tussen de miljoen jaar oude lavasegmentaties bespeur je plots het immense meer. Het azuurblauwe water met donkere kobaltkleurige tinten doorspekt, bezit een zoutgehalte van 330 gram/liter dat hoger is dan dat van de Dode Zee. Meer dan 10 km oever is bedekt met een dikke en brede laag zout. De weerkaatsing van het zonnelicht is te fel om er zonder zonnebril rond te wandelen en er heerst tevens een temperatuur van 50°C. Hier en daar borrelen warmwaterbronnen. Aan de rand van het meer is een kleine parking met enkele primitieve stalletjes waar de schaarse toeristen zakjes grof en fijn zout kunnen kopen. Een achttal mensen bevonden zich op de 200m brede zoutrand van het meer. Met ontbloot hoofd en op hun blote voeten hakten ze onder de brandende zon met een pikhouwel stukken zout los om ze in plastiekzakken te scheppen en op de rug van een dromedaris te laden. Het blijken Afar-nomaden te zijn die hier aan zoutwinning doen om het dan stapvoets naar het nabijgelegen Ethiopië te brengen...moet je gezien hebben om het te geloven!
 
BESLUIT: Djibouti is niet alleen een aparte ervaring maar ook een openbaring ... doen voor het te laat is! Il faut mérité Les Sept Frères !


Aantal keer gestemd: 8x 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Gemiddelde cijfer: 5.8

Reactie Plaatsen
Naam * E-mailadres *
Bericht *