Mijn eerste duik
Rudi Schollaert
Zevergem, ergens in januari 1971. De dreef kronkelde zich hobbelig een weg tussen de hoge kale bomen waaraan de rijm bevrozen glinsterde. Het was hetgeen we in Gent een “smotsige dag” noemen en de achterste wielen van mijn auto slierden weg op het modderige pad.
Ik ontwaarde de VW Camionet van Gustaaf aan de rand van het kleine meer en toen ik uit mijn wagen stapte werd ik begroet door Raymond die vanachter de transporter me een welkom toewuifde:”Je bent er toch door gekomen!”, en hij grinnikte knipogend naar Gustaaf die zijn duikfles aan het klaarmaken was. Ik knikte en zonder verder commentaar te geven begon ik op mijn beurt mijn materiaal te controleren. De lucht was grauw en killig en een mist hing met wattige slierten tussen de bomen en klampte zich vast aan eender welk obstakel. Toen ik het water van het meer bekeek dat voor zandwinning had gediend, zonk de moed mij in de schoenen. Hier en daar dreven ijsplekken en klonterden stukken hout en ontwortelde boompjes aan elkaar...een droom van een meer, deze E3 poel te Zevergem. De ideale plaats voor een eerste duik! Hoe had ik me dit over het hoofd laten trekken?
Ik was een viertal maanden lid bij de Gentse Dolfijnen toen op een vrijdagavond tijdens de zwembad training, hoger brevet (vierstersduiker) Hutse Raymond iedereen verraste met een zelfbouw wonderlamp. Ze was prachtig in elkaar geknutseld zijn “sealed-beam” onderwater toorts, ietwat langs de zware kant maar toch extravagant genoeg om ons allen in bewondering te laten kijken zoals kinderen naar het speelgoed van Sindterklaas. En dan vanzelfsprekend de grote vraag: “Wanneer en waar ga je ze nu uittesten?”. Een geanimeerde discussie volgde want de aanwezige duikers kenden allemaal
een ideale plek, tot een beslissing viel door een plotse suggestie van grote Gustaaf, ook een hoger brevet:” En waarom nu zaterdag niet, aan d’Ouwe Klosse? De put van Zevergem is minstens 13 meter diep en met de auto staan we er op tien minuten...” Raymond’s ogen schitterden enthousiast van ja en daar het mij aansprak om eindelijk eens een echte duik te maken om mijn splinternieuw aangekocht
materiaal te proberen vroeg ik met bedeesde stem of ik die doorwinterde duikers mocht vergezellen. Dat bleek geen probleem en op mijn aarzelende vraag of het water een beetje helder was verzekerde Raymond mij:” maak je niet ongerust Rudi, je ziet de vissen rond u zwemmen to op een afstand van 4
à 5 meter...” En met de enthousiaste overtuiging dat iets wonderbaarlijks zich aan mij zou openbaren vertrok ik met goedgeluimde verwachting die koude zaterdagnamiddag, die ik nooit meer zou vergeten, naar Zevergem.
En daar stond ik dan op een vriezige januaridag van het jaar 1971. Ietwat verdwaasd tuurde ik over dat zo gezegde heldere wateroppervlak. Met veel moeite kon ik de zeldzame keien aan de kant, tien centimeter onder het water tellen. Een vriendschappelijke klap op de rug bracht me terug tot het uur van de waarheid. “Alles Ok Rudi? Paraat voor de grote duik?”. Lachend klikte Gustaaf zijn loodgordel dicht en vervoegde Raymond die reeds in het water was gestapt. Grauwe modderwolken dwarrelden op rond hen. “Heu...had ge niet beweerd dat het helder was?” Het verveelde mij zoiets te vragen want wat
zouden deze geroutineerde duikers wel denken van mij. Maar Hutse zwaaide geruststellend met zijn gehandschoende arm: “’t Is juist vooraan dat het vuil is, eenmaal in het midden kan je je eigen tenen krabben”. En met een doffe plons dook hij zich in het water en snorkelde weg gevolg door zijn
buddy.
Verbouwereerd bleef ik een ogenblik staan en wierp me vervolgens op mijn beurt manhaftig in het spoor van beide duikers. Het scheen me toe alsof ik in een ijskelder terecht kwam. Als een dolle hond schudde ik het hoofd en begon als een bezetene te palmen. Dat deed deugd en na een paar minuutjes kreeg ik het warmer. En dan pas realiseerde ik me het natte element rond mij. Er was slechts één woord voor: PIKKEZWART! De twee vrienden lagen reeds in het midden van de put rustig te drijven op hun ‘Fenzy’ (w.c brilvormige reddingsvest) op mij te wachten. “ Alles in orde?” Ik knikte even en bemerkte terzelfdertijd een wazige oplichtende schijf onder water...Raymond’s superlamp! Hij gaf me een hand en vroeg aan Gustaaf hem op zijn beurt vast te houden. “We houden elkaar vast en zakken naar de bodem, ik hou de lamp in ons midden. Eénmaal beneden zwemmen we op één lijn naast elkaar voorwaarts. OK?...Vooruit dan maar, daar gaan we !”
De grauwe wereld sloot zijn poorten en bruusk zweefde ik in een andere dimensie. Ik was me slechts bewust van twee zaken, de stevige greep van Raymond en voor mijn neus, een dansende gele schijf die steeds maar fletser kleurde. We bleven maar zinken, het scheen me toe dat er geen einde aan kwam. Mijn hart klopte in mijn keel en ik voelde de zenuwen in mijn buik trillen. En steeds bleven we zakken, als in een bodemloze trechter. En plots gebeurden er twee dingen. De vale lichtschijf draaide weg en belichtte een spookachtig duikmasker. Terzelfdertijd voelde ik me wegzuigen in een plakkerige massa. Mijn God, waar was ik terecht gekomen? Instinktief kroop ik in elkaar, rukte me los, schopte paniekerig met de benen en gaf een paar stevige vinslagen...en toen werd alles donker, een intense tastbare duisternis! Hijgend zogen mijn lippen aan het mondstuk en tastten mijn armen hulpeloos rond. Kalm...kalm blijven bonkte het door mijn hoofd en mijn benen zetten zich automatisch aan het verder palmen. Het werd een eindeloze tocht door een sterrenloze nacht vol onzichtbare gedrochten maar uiteindelijk schoot ik in één ruk door de oppervlakte en blikte opgelucht naar de voortjagende wolken, de bladerloze bomen, de vale doodse huizen in de verte en de modderige oever.
Nog nooit was ik zo blij geweest bij het zien van een drijvende boomstronk naast mij. Een tiental meter verder verschenen twee hoofden boven water. Ze draaiden op hun as en bespeurden mij. “ Waar was je?”, echode het. “ Weggeraakt!”, kuchtte ik verdwaasd, niet wetend wat te antwoorden. Raymond wenkte: “Ga je mee, we zullen proberen een parkoer te zwemmen op ondiepte.” Mijn hele wezen schudde van nee:” Ik krijg het te koud, doen jullie maar verder zonder mij...ik geraak wel alleen aan de kant.” Ik kon toch moeilijk bekennen tegenover twee geroutineerde duikers de schrik van mijn leven te hebben beleefd, mijn eer in de club zou eraan zijn ! En zonder me nog éénmaal om te draaien palmde ik naar de glibberige oever. Ik was reeds helemaal gekleed toen de twee vrienden aan wal stapten. Ze lieten hun fles op de grond zakken en schoven hun masker op het voorhoofd:” Hoe vond je het?”, vroeg Raymond. “ Zéér helder!”, kon ik niet nalaten van kwaad te antwoorden,” We hingen met onze neus op je lamp en we zagen elkaar nog niet. Zwijg me van je klare poel! “ Hutse haalde de schouders op en krabde even in zijn zaterdagse stoppelbaard: “ Ja, het is onbegrijpbaar, anders is het veel klaarder!”
Op dat moment wandelde een boer voorbij en kwam nieuwsgierig goeiendag zeggen. Hij hoorde blijkbaar de laatste opmerking want hij liet zich droogweg ontvallen: “ Dat geloof ik dat jullie niks zagen...ze hebben er gans de week camions met zand in gekipt ! “

