Heilige Koe in Egypte
Lambertus Ras
We stonden vandaag vroeg op, want de zeekoeien moesten gemolken worden. We waren met onze plaatselijke duikclub al een paar dagen op duikvakantie in El Quseir in Egypte. We gingen deze dag naar een duiklocatie dichtbij Marsa Alam, Abu Dabab: het leefgebied van twee zeekoeien (doejongs). Deze grazen in een soort afgesloten canyon en kunnen daar niet weg. Als je er goed over nadenkt, kan dat toch niet heel fijn zijn voor die beesten. Er is daar ook ander prachtig onderwaterleven te zien, zoals schildpadden en gitaarroggen. Maar de zeekoeien stonden voor ons op de eerste plaats omdat er nog maar weinig van deze dieren in de zeeën en oceanen te vinden zijn.
Allereerst gingen we naar de duikschool om onze spullen uit te zoeken. De pick-up was al snel volledig volgeladen met duikuitrustingen. Onze begeleiders gooiden er daarna enkele tapijten bovenop, met daarop een behoorlijke hoeveelheid lood zodat er niets tijdens de rit van de pick-up zou waaien. Wij hebben geleerd dat je nooit zwaar lood op je uitrusting mag gooien. Maar ja, in het buitenland doen ze het toch wel eens iets anders. Toen al het materiaal goed gepositioneerd was, moesten ook wij in een klein busje gepositioneerd (beter gezegd: gepropt) worden. Dat krijg je als je 14 duikers en een chauffeur in een 9-persoonbus wilt vervoeren. En dan hadden enkele van mijn buddies en ikzelf ook nog uit de kluiten gewassen camera’s bij ons.
De verwachte reistijd was 75 minuten. De buschauffeur deed goed zijn best om deze tijd in te korten. Bumper kleven met 120 km per uur, druk claxonneren bij het inhalen, lang op de linker weghelft blijven rijden en rechts inhalen op een tweebaansweg. Dit was nog fatsoenlijk rijgedrag in vergelijking met wat hij later deed. Hij haalde op de tweebaansweg de auto voor zich in terwijl een tegemoetkomende auto gevaarlijk dichtbij kwam. De meesten van ons waren bang dat ze na de rit een schone onderbroek nodig hadden. Op een haar na ging het goed. Mijn buddies, die al een keer bij mij in de auto gezeten hadden, waren dit eigenlijk al wel gewend.
Na veertig minuten waren we op de plek van bestemming. Onze chauffeur had er dus met zijn rijgedrag 25 minuten af weten te schaven. Er waren al ontzettend veel mensen aanwezig. Duikers, snorkelaars, maar vooral zonaanbidders. We kregen een plekje toegewezen onder een dak, gemaakt van houten palen en takken. Het tapijt werd uitgerold en al ons materiaal werd voor ons klaargezet. Maar eerst even naar het kleine kamertje, want het eerstkomende uur zouden we niet meer kunnen afwateren. De wc was een grote plastic bak waar met een decoupeerzaag een deur uitgezaagd was met scharnieren van hout. De deur kon niet eens dicht, laat staan dat je op je gemak een krantje zou kunnen lezen. Na duizenden jaren is dat bouwkundige inzicht toch verdwenen bij de Egyptenaren.
Na het afwateren hield Adel (de duikleider) een briefing: “Money back guaranteed if you don’t see any turtles or a seacow”. “We’ll keep our fingers crossed”. We kregen de tijd om rustig ons setje in elkaar te zetten en ons natpak aan te trekken. Bij een temperatuur van 35 graden liep het zweet je al gauw in je naad. We waren daarom bijzonder blij dat we het water in konden. De stoom kwam nog net niet van je pak af. We kregen instructies om Adel te volgen. We waren natuurlijk onderverdeeld in buddieparen. Zo dook ik (Bert Ras) met mijn vader (Okke Ras), die op zijn eerste duikvakantie was.
We zochten de zeekoe in een spriraalvormig patroon en keken natuurlijk ook uit naar de schildpadden en de roggen. Het was daar echter een kale bedoening. Alleen maar zandbodem met af en toe een rots met een klein beetje koraal erop. In een gemiddelde Nederlandse duik zie je veel meer vis. Welgeteld één koffervis, één koraalvlinder, één keizervis en één egelvis was onze score. Iemand had nog wel een octopus gezien die zich goed verscholen hield. Tot nu toe een echte B.A.D.: afkorting voor ‘broek afzak duik’ (copyright van onze plaatselijke duikclub!). Dit staat nu ook als vaste type duik op onze logboekblaadjes. We hebben ook nog een afkorting voor een superduik, maar die afkorting is niet geschikt voor de jeugdige lezers van deze duikverslagen.
Uit verveling ging ik maar groepsfoto’s en portretten van mensen maken. Ik was ondertussen ook al een paar keer naar boven gegaan (het was er niet erg diep), zodat ik kon zien waar de snorkelaars zich bevonden. De snorkelaars zagen vast wel meer dan wij. Ik zag een hele kudde snorkels boven het water uitsteken en zwom er naar toe. Maar de duikleider riep me weer terug. Gehoorzaam als ik ben kwam ik terug en dacht “Adel zal het wel beter weten”. We zwommen verder. Ik tikte mijn vader op zijn schouder, deed mijn handen onder mijn hoofd, sloot mijn ogen en ging op mijn zijde drijven. Zzzlaapverwekkend…
Eindelijk leek er actie te zijn in de verte. Zo’n twintig meter verderop zag ik in de diepte camera’s flitsen en schoot er als een pijl op af. “Houdoe, als Adel niets vindt dan zoek ik het zelf wel op”. Mijn vader kon me nog maar net volgen. En jawel, een meter grote soepschildpad was aan het genieten van het zeegras. Hij trok zich niets aan van die vreemde figuren die met hun camera recht in zijn gezicht flitsten. De twee grote zuigvissen die op zijn rugschild zaten, waren echter verre van rustig en krioelden als gekken over het schild. De schildpad ging nergens heen en ondertussen waren mijn vader en ik druk aan het zwaaien naar de duikers van onze duikclub in de verte. De enige die het zag, was mijn naamsgenoot (Bert de Vries). Hij zwom zonder buddie bij de groep, omdat die problemen had met klaren en naar de kant gegaan was. Bert kwam gelijk naar ons toe. Er keek nog iemand van de groep om, maar die dacht vast: “Wat zijn die nou spastisch aan het doen?” Ik had alle tijd om het beest rustig op de gevoelige plaat vast te leggen en Bert kon filmen met zijn nieuwe camera.
Na vijf minuten gingen we als drie musketiers verder zodat we de groep weer op konden zoeken. We keerden om en zwommen in de richting van waar de groep ongeveer moest zijn. Maar we vonden ze nergens. Toen zagen we opeens de zeekoe! Lang verwacht, stil gezwegen, nooit gedacht, toch gekregen. Bert R. de Vries zwom er snel op af om een exclusieve reportage van het kolossale beest te maken (toch zeker twee meter lang). Bert heeft een prachtige film gemaakt met mij op de voorgrond zodat je de maatverhouding kan zien.
Ik landde op mijn knieën op nog geen meter afstand van het dier. Hij stoorde zich totaal niet aan mij. Hij sopte met een gracieuze beweging met zijn kop in de grond om van het zeegras te grazen. Het dwarrelende stof zorgde voor een nevel om de zeekoe heen. De sprieten van het gras waren erg klein. Ik vroeg me af hoe die twee daar kunnen overleven. Je zag wel dat het dier niet meer de jongste was. Krassen en geulen waren in zijn lichaam gekerfd, waarschijnlijk door roofdieren die iets te overmoedig waren en de koe aangevallen hebben. Hij kwam in die twee minuten al soppend drie meter vooruit. Ik schuifelde, net alsof ik de tango danste tegelijk met de zeekoe naar achter.
Na vier en halve meter schuifelen keek de koe me aan en ging ik voor hem aan de kant. Aangezien het een zoogdier is, moet hij namelijk aan de oppervlakte ademhalen. Het beest richtte zijn enorme bovenlichaam van de grond en deed een perfecte vintip. Twee klappen met zijn grote staart en in tien seconden een perfecte gecontroleerde opstijging uitgevoerd. Daar kunnen wij als duikers nog wat van leren! Na enkele seconden naar adem gehapt te hebben, schoot hij verder de diepte in en verdween uit ons zicht, maar nooit meer uit onze gedachten. In die tien seconden kon ik nog net een mooie foto maken van zijn opstijging. Omdat onze luchtvoorraad ook bijna op was, gingen wij ook naar boven zodat we zelf weer lucht konden happen. Tijdens de tocht naar boven ademden we nog flink zwaar na. In die twee minuten dat we de zeekoe gezien hebben, hebben we verhoudingsgewijs meer lucht verbruikt dan in de hele duik daarvoor. Als je onder water iets ziet wat je nog nooit gezien hebt, is het letterlijk adembenemend.
Aan de oppervlakte aangekomen vertelde ik tegen de rest dat ik blij was dat ik mijn groothoeklens had besloten te gebruiken. Bert was op zijn beurt gelukkig dat hij zijn videocamera mee had genomen. Hij had thuis geen lader in zijn koffer ingepakt en had precies het juiste moment uitgekozen om zijn camera wel mee te nemen. Laat nu de contracten maar binnen komen van National Geographic om als video(photo)grapher te werken.
We moesten nog een behoorlijk stuk terug naar de kant peddelen, maar dat hadden we er voor over. Er stonden vier mensen klaar om te starten met hun duik. Ze vroegen ons waar de zeekoe zat. Door de grote glimlach op ons gezicht hadden ze direct in de gaten dat we de zeekoe gezien hadden. “Straight ahead you’ll see the dugong and after that a turtle”. Ik dacht er door de euforie niet eens bij na dat die beesten ook weg konden zwemmen. We waren als eersten bij de omkleedplek. We zeiden tegen elkaar dat we vanavond tijdens een drankje het beeldmateriaal zouden laten zien en dat we dan zouden zeggen: “Heb je dit beest ook nog gezien? Ik weet niet wat het is”. Toen iedereen aan de kant was en iemand me vroeg of we nog wat gezien hadden, vertelde ik in alle enthousiasme, bescheiden: “Ach ja, een schildpad en een zeekoetje”. De rest had de heilige koe niet gezien. Dus iedereen wou de foto’s zien. Adel bood zijn excuses aan dat de rest geen zeekoe en schildpad gezien had, maar ze kregen geen geld terug. Sommigen gingen nog even snorkelen om toch nog een glimp van het zeldzame waterdier op te vangen. Maar dat mocht niet baten.
Nu moesten we ons leven weer in de waagschaal stellen met onze chauffeur die zich in het verkeer gedroeg alsof hij Jos Verstappen was (in zijn slechte dagen). Maar als je in een gelukzalige staat bent merk je hier totaal niets van. Iemand vertelde tijdens de reis dat hij een nieuw onderwater signaal geleerd had. Die voor een zeekoe: “Net alsof je de uiers van een koe aan het melken bent”. De duiktrip was voor hen toch niet helemaal voor niets geweest!
Ongeschonden weer terug bij het hotel gingen we bij het zwembad lunchen. Want van een geweldige duik krijg je honger. Ik kwam twee Nederlandse dames tegen die de dag ervoor al voor de tweede keer naar Abu Dabab geweest waren, maar geen zeekoe hadden kunnen ontdekken. “Heb jij nog wat gezien?” vroegen ze aan me. “Ja, de zeekoe!”. Ik zag in de blik in hun ogen dat ze teleurgesteld waren dat ze het beest zelf nog niet gezien hadden.
De volgende dag hebben ze weer een trip gemaakt naar Abu Dabab, maar ook dit bleek weer tevergeefs. Dan merk je toch dat we puur mazzel gehad hebben. Vooral als je bedenkt, dat er maar twee van die zeekoeien op een groot oppervlak grazen. Logge beesten, maar toch ontzettend snel en gracieus.
De zeekoe kan van mijn wensenlijstje afgestreept worden, maar ik zal geen nee zeggen tegen een volgende ontmoeting

