De man die een 'uiltje' ving!
Rudi Schollaert
De ‘Alpha Safaga’, onze ruime duikboot ligt geankerd op Tobya Hamra, een klein koraalrif voor de ondiepte van Soma Bay, de lokatie van het nieuwe Sheraton Hotel, gelegen 6 km ten noorden van Safaga en gebouwd in de stijl van de tempel van Hatjepsoet, de enige vrouwelijke farao die Egypte ooit gekend heeft. Niettegenstaande een felle zon blaast er een koude wind uit datzelfde noorden. De Rode Zee heeft zich dan ook omgetoverd in een tapijt van schuimende golfkopjes.
Safaga: woensdag 16 november, Egyptische tijd 12.30
Met een vijftal duikers staan we op het bovendek van het jacht het prachtige gebouw in de verte te bewonderen terwijl de rest van de groep beschutting zoekt voor de wind op het benedendek. Plots een schreeuw! Georges wijst naar de helblauwe hemel:” Een sperwer...een adelaar...allez, ’t is in elk geval een roofvogel!” Iedereen kijkt in de richting van zijn gestrekte wijsvinger en inderdaad, een prachtige vogel met wijd uitgepreide vleugels tornt moeizaam op tegen de wind en stuikt ineens met opengesperde klauwen naar de zeeoppervlakte. Die heeft een vis gezien, denk ik automatisch, maar tot mijn verbazing blijft de bruine vogel drijven op de woelige wateroppervlakte die hem nat spatten.
“Het is een uil!” roept Karen luidop,’ het beest is uitgeput en aan het verzuipen...toe, toe, toe, doe iets!” Onze metgezel Dean, die juist discreet, zoals altijd, een plasje aan het maken was op het achterdek, spring zonder nadenken in zee en kan de voorbijdrijvende hevig krijsende vogel nog juist bij de poten vastgrijpen. Vlug kantelen we de inoxe duiktrap in het water en helpen de redder in nood
aan boord die ons zo fier als een pauw, zijn trofee met gestrekte arm toont. Het is inderdaad een uil, een jonge uil die ons met wijd opengesperde rode ogen aanstaart. De vogel blijkt één hoopje verdriet en het zoute water druipt hem van het pluimdikke lijf. Ondertussen is de ganse bemanning, kapitein incluis, gealarmeerd door het lawaai, zich bij de duikers komenscharen...wat nu? Karen suggereert “ We moeten hem drogen, want een uil bezit geen afwerende film.” De Egyptische kapitein schudt het hoofd:” Eerst moet het zout eraf!”, en de daad bij het woord voegend stapt hij de toiletruimte binnen en spoelt
de vogel af in de lavabo met zoet water. We drummen ons hoofd door de smalle deuropening en kijken medelevend toe. De jonge vogel spartelt niet tegen, uit geen enkel gekrijs. De ronde ogen staren ons slechts droevig aan...prachtige ogen, menselijker dan de onze, besef ik bij mezelf.
Tony, één van onze instructeurs, roept vanaf de voorplek om aandacht. Hij wijst naar de verte en we merken vanuit richting Soma Bay, een volwassen uil op ons toevliegen. De enorme vleugels klapwieken moeizaam tegen de hevige wind en laag over het water zwevend cirkelt de vogel een paar keer rond de
boot. Vlieg nog een laatste maal over het koraalrif en verheft zich vervolgens in de lucht om met veel inspanning richting landtong te verdwijnen naar een hotelcomplex in opbouw.. “ Dat moet de vader of de moeder zijn die haar jong zoekt!” laat Guido zich ontvallen,” wij moeten de uil zo vlug mogelijk drogen, zodat hij terug naar zijn nest kan, doch Karen onderbreek hem en weet ons te vertellen dat de vogel van zichzelf moet drogen en tot rust komen in een donkere plaats. Anderhalf jaar geleden heeft ze die kennis opgedaan door een tijdje vrijwillig aan de kust mee te helpen na een lek met een oliecontainerschip,
bij een actie “Reiniging en opvang van door olie gepolueerde vogels”. Haar raad wordt dan ook opgevolgd. In het materiaalkot wordt de uil in een plastiekbak gezet waarover we een grote handdoek leggen. Na onze tweede duik, deze maal op Coral Garden, een drietal mijl verder naar het noorden, is het eerste wat we doen als we aan boord klimmen...de uil begluren! Die schijnt op krachten te komen, want bij het opheffen van de handdoek worden wij begroet met een hevig sissend geblaas als van een slang. “Haha, hij komt erdoor! laten we hem vliegen?” vraag ik mijn gezellen, doch Jonathan, de eigenaar van het duikcentrum stel voor de vogel mee te nemen naar huis zodat hij gevoerderd kan worden en nog een nachtje uitrusten. Aldus gezegd en gedaan. Aan land gekomen maakt het busje die ons naar het hotel Admiraal moet brengen een omweg naar een in opbouw zijnde buitenwijk van
nieuw Safaga. Georges heeft de plastiekbak met de vogel op zijn schoot gezet. Het beest sist nu met de regelmaat van een klok, heen en weer gewiegd door het hotsende busje waarin we als sardienen geperst zitten. We stoppen voor één van de tientallen half afgewerkte woningen, waaruit de blote betonijzers nog naar de hemel punten. Jonathan stapt uit, neemt de bak over en verdwijnt ermee door een piepende deur van zijn woning. Eénmaal terug in het hotel apéritieven we gezellig samen aan het openlucht
zwembad en bespreken de situatie van den uil. Het was ons opgevallen dat zowel de kapitein als Jonathan niet enthousiast bleken om de jonge vogel te lossen.” Volgens dat ik een bemanningslid horen
vertellen heb is zo’n zeldzame vogel hier veel geld waard.” merkt Marijke op “...en gaan ze hem trachten te verkwanselen aan één of andere opkoper!”. Waarop Dean heftig uitschiet:” ’t Is mijne vogel en ik doe met mijne vogel wat ik wil, amen en uit!” We komen unaniem akkoord om morgenavond, na de duik, de uil op te halen en hem daarna te lossen op de weg die naar Soma Bay leidt. Een laatste ‘toost’ op onszelf en we gaan met een goed gevoel slapen.
Donderdag 17 november
’t Is weer al hetzelfde ‘lolleke’. Veelwind uit het noorden met witte schuimkopjes die ons verwelkomen aan de aanlegsteiger. We schepen vlug in en zoeken de beschutting op van de ruime ‘carré’(het
salon). We geniet van een groot voordeel, alle duikmateriaal mag aan boord blijven zonder schrik te hebben dat iets verdwijnt, want de vierkoppige bemanning blijft aan boord slapen. Vooral de kok verdient een pluim, zijn eenvoudig middagbuffet is lekker en gevarieerd. Spreken doet hij nooit doch kan de kleine man des te goed fluiten! Er zijn twee duiken gepland, een morgenduik op de zuidpunt van Panorama Rif en ’s namiddags een driftduik op hetzelfde rif van noord naar zuid. Het worden effectief zéér mooie duiken met prachtig begroeide drop-offs.Veel struiken zwart koraal en talrijke ondiepe grotten. Bij het bovenkomen een tegenslag...wij moeten terugvaren op één motor, want de tweede heeft het voor de zoveelste maal begeven. Iets waar we niet meer van opkijken aangezien dit mankement zich om de twee dagen voordoet. Op het einde van de reis komen we te weten dat de boot wordt aangedreven door twee autobus dieselmotoren. Zoals afgesproken klampen we Jonathan aan en delen hem onze beslissing mee over “ den uil ”. De man haalt de schouders op en beweert dat het beter voor
de vogel zou zijn hem nog een paar dagen bij hem thuis te voeden. Wij zijn echter categoriek en spreken met hem af het beest te komen ophalen om 19.00 en het met het duikbusje naar Soma Bay te brengen. Dean krijgt de eer om de vogel te lossen. Zo gezegd, zo gedaan...na de dagelijkse apéritief aan het
zwembad rijden we met het busje door de enge ‘chantier’ straatjes naar de résidentiële (!) buitenwijk van Safaga waar de woonst van Jonathan ligt. Gelukkig branden de lampen van het minibusje want anders zouden we ons zekers verongelukken op één van de tientallen putten en bulten die de
onverlichte zanderige straten versieren. Dean heeft voor alle zekerheid zijn duikhandschoenen aangetrokken want de scherpe klauwen van “zijnen uil” zijn niet te onderschatten. Met de plastiekbak en handdoek eroverheen op de schoot van ‘Georgie-boy’ rijdt het busje met hoge snelheid langs de verlaten kustbaan. De blazende vogel protesteert hevig gedurende de vijftien minuten durende trip. Aan de ingang van de asfaltbaan die in rechte lijn tot aan Soma Bay reikt stoppen we en zetten de plastiekbak neer op de zandstrook ernaast. De Egyptische chauffeur doet nog een laatste poging om onze goede daad tegen te houden:” me poor man...bird much money, good for my family...please give it to me...me poor man!”, maar we zijn onverbiddelijke blanken, éénmaal een besluit genomen komen we er niet meer op terug. Voorzichtig verwijdert Dean de handdoek. De uil staart ons een ogenblik wezenloos aan, dan komen al zijn pluimen recht, de rode ogen speuren naar de ontelbare sterren van de nachtelijke hemel. Plots spreiden de enorme vleugels zich open en met een klappend geluid als van een zweepslag verheft de vogel zich majestatisch in de lucht. Als een pijl uit een boog vliegt de jonge uil in rechte lijn naar het in de verte gelegen vakantieoord...wat een prachtig beest, we zijn er even stil van maar doen dan als de Russen, we klappen in de handen en pakken ons op naar het restaurant van Christian Henricy’den Brusseleer’ waar we de avond en onze goede daad afsluiten met een lekker festijn.

