Duiken in Oman: Musandam
Willem Jan Keizer & Ãgi Torok
We staan nog voor half negen ’s ochtends bij het duikcentrum naast het Golden Tulip hotel, net buiten Khasab, Musandam. Een beetje verweesd want we hebben niet zulke goede ervaringen met vroege duiken direct na een lange reis en een nacht nauwelijks slapen...
Na alle hel en verdoemenis verhalen die door ons aller parlementariër Geert Wilders over Nederland werden uitgestort, is de aankomst op het vliegveld van het islamitische Dubai zoals het hoort. Gastvrij, geen gedoe en zelfs bijna gelikt. Het visum wordt zonder omwegen in onze paspoorten gestempeld en na het oppikken van de bagage worden we voor de uitgang van de aankomsthal door chauffeur Mohammed van de Extra Divers uit Musandam opgepikt.
Mohammed is de vriendelijkheid zelve, een warme man met een dikke buik. Hij maakt ons in een raar koeterwaals en met pen en papier duidelijk dat we 200 moeten opnemen. 200 wat? Dollars? Nee, denken we, Rials. Musandam ligt immers in Oman en is een gekke enclave die alleen via Dubai bereikbaar is. Dat geld is nodig voor het visum voor Oman en de uitreistax van de Verenigde Arabische Emiraten waar Dubai deel van uitmaakt. Geen van de geldwisselaars en banken blijken die in voorraad te hebben. Wat nu? Nee, gebaart Mohammed: Dirhams moeten het zijn, VAE-biljetten.
Na die te hebben gescoord gaat het in gierende vaart naar de grenspost in Ras al Khaima, afgekort R.A.K. De auto’s in dit deel van de wereld zijn toegerust met allerhande waarschuwingspiepjes, onder meer voor te hard rijden. In ons busje gaan de hele rit lang alle alarmen af. En dat midden in de nacht terwijl we proberen nog een beetje slaap mee te pikken. Het gepiep houdt alleen even op aan de grens en dan plankgast Mohammed weer vrolijk verder, het alarm net als daarvoor op de perfect aangelegde Arabische snelweg, straal negerend.
De villa van de Extra Divers is spaarzaam, basaal ingericht. Hoewel we naar de verkeerde want nog niet schoongemaakte kamer worden geleid is er de volgende dag een kamer met wel een schoon bed beschikbaar. Het ontbijt is wat de Engelsen ‘continental’ noemen, toast met jam of plastic kaas en thee of vers sap. Maar gek genoeg in dit hete klimaat blijkt dit voldoende te zijn.
De eerste duik gaat makkelijker dan ik had verwacht. Hoewel het water groen ziet van de algen en het zicht mimimaal is, slaat de vermoeidheid niet toe. Sterker nog: het nog frisse water van net 26 graden zorgt voor een opkikker. De roggen zijn groot en talrijk aanwezig. Lui in het zand of ineens als een straalvliegtuig in zandwolken er vandoor. En dan is de trofee die je eigenlijk pas op de laatste duik had gewenst. Tegen het einde van de eerste duik, alvast wat stijgend naar een meter of tien, zwemmend om een groot rotsblok heen is hij daar: een enorme luipaardhaai, ruim twee meter, inclusief staart schat ik. De divemaster die op dat moment voorop zwemt moet uit alle macht in de remmen – voor zover dat lukt onder water. Hij komt net niet in botsing met het dier dat precies aan de andere kant van de rots komt aangezwommen en ons al evenmin had opgemerkt. Ik zit er een paar meter vanaf en probeer uit alle macht Ági – naast mijn levensgezellin mijn vaste buddy – te waarschuwen. Zij is echter te geconcentreerd bezig met andere beestjes en mist het spektakel, dat overigens maar een paar seconden duurt, compleet. Een paar dagen later zullen we er weer een zien, een meter of vijf onder ons. Of zou het dezelfde haai zijn geweest?
Na deze duik zet het bootje koers naar Kumzar, een vissersdorp dat alleen over zee te bereiken is. Ik heb er aanvankelijk weinig belangstelling voor, daar door het wat frisse einde van de duik mijn blaas zich tot over het overloopstreepje heeft gevuld. Wat loopt dat moeilijk, over de rotsige paadjes van het dorp. Aan het eind zijn een paar grote rotsblokken waarachter de situatie zich normaliseert. Pfoe, wat kan een mens zich dan opgelaten voelen, vooral met een paar prikkende Arabische ogen in de rug.
Een dag later blijkt hoe moeilijk de situatie op het duikcentrum is. De divemaster van die dag blijkt tevens de nieuwbakken manager van het centrum te zijn, Jens, een Duitser die vloeiend Nederlands spreekt. Hoewel hij ons met respect behandelde, kon hij zich eigenaardig opstellen tegenover andere mensen. Een briefing vooraf, daar deed Jens die dag niet aan – we deden precies dezelfde groenige sites aan als de dag ervoor. Jens blijkt een ex-militair te zijn, trots op de enorme hoeveelheid brevetten en licenties die hij in de loop der tijd wist te verzamelen. De divemaster van de dag daarvoor, een Zwitser van nog geen 30 jaar jong blijkt in alles de tegenpool van Jens. Een gebroken hart en het daarmee gepaard gaande verlies van vertrouwen in de medische stand dreef hem uit zijn huis en met de motorfiets de woestijn in. Anderhalf jaar had de romanticus er al op zitten, via Noord-Afrika naar gevaarlijker gebieden in Midden-Azië. Hij doolde via Egypte via de Sinaï naar Iran, naar Pakistan, weer terug om in Oman voorlopig te blijven hangen. Zijn gesponsorde motorfiets kreeg door het niet tijdig ontwijken van een flink rotsblok een joekel van een gat in het motorblok te verduren en moest direct gerepareerd worden. Dit bracht Tom bij Extra Divers. En met Jens wilde het niet klikken. Op geen manier. Dat leverde een crisisbezoek op van de eigenaar van Extra Divers en de hoogste bazin in Oman die vanuit Muscat naar Musandam was gereisd. Hoewel we door Tom in vertrouwen werden genomen konden we genoeg afstand bewaren om het duiken noch de onderlinge contacten te schaden.
Ze waren maar met zijn tweeën, Tom en Jens, anderen waren er op dat moment niet. Een Franse divemaster besloot op het allerlaatste moment toch maar niet te komen. Dus sprong de uit Muscat overgekomen Stephanie bij in het centrum. Dat was nodig want een grote groep Duitse duikers had zich gemeld. Met flink wat luidruchtige praatjes in de toch wat krappe boot voeren we af in de richting van Musandam Island, naar sites waar nog maar nauwelijks was gedoken. Toen Tom eerst de stroming wilde controleren werd het merkwaardig stil in de Duitse groep. Eén van hen, de dikste man met het hoogste woord, was er akelig grauw gaan uitzien en hing naar adem happend overboord. “Daar hang je dan met je grote waffel”, dacht ik vilein. Hij moest de duik overslaan. Tot mijn niet geringe verbazing werd ik halverwege de duik, op zo’n 14 meter, door één van de duikers ruw opzij geduwd omdat meneer even een plaatje wilde schieten. Het bleek een Zweed, met de Duitsers meegekomen en op dit vroege uur al stomdronken. Hoe is het mogelijk dat hij het water inkwam? En er weer uit ook?
Hoewel de Duitsers een grote ervaring claimden, maakte Tom zich zorgen. Hij constateerde grote gaten in de procedures, één van hem vond dat je om op te stijgen net zo goed je trimvest vol kon laten lopen. Een volgende ging met een dubbele voorraad lood naar beneden en kwam er op 15 meter achter dat hij toch wat te zwaar was. Een ander was al na een half uur strak door zijn zuurstof heen terwijl ik, grootgebruiker van dat spul, kans zag om de duiken tot langer dan een uur op te rekken. En de de-briefing van Tom zorgde er niet voor dat de Duitsers zich wat bescheidener zouden gaan opstellen. Ze min of meer negeren werkte het best. Je mag dan 150 of meer duiken hebben gelogd, het zegt helemaal niets.
Toch was het duiken prima, rond het raar gevormde schiereiland Musandam. Een prachtige lavendelblauwe koraaltuin, een in een visnet gevangen reuzemurene die we bevrijdden, een driftdive als een rollercoaster, een nachtduik rond een scheepswrak op een zandbodem van niet meer dan 10 meter diep, mét een fikse schildpad en een enorme lionfish – het was er allemaal. De laatste dag, niet duiken in verband met de vlucht naar huis een dag later, werd doorgebracht in een Toyota 4x4. De bergen in, een woest en ledig landschap dat desalniettemin fascineerde. Tom had zich bij ons gevoegd en hij wist ons snel te winnen voor het magische landschap dat zich na iedere bocht steeds weer anders voor onze ogen ontvouwde. Zelfs een dag niet duiken zorgt in Oman voor reizen op hoog niveau.

