LOGIN
Hoofdsponsors: Lazywave Duikmagazine
Gemiddelde cijfer
7.1

Anders......

Arthur L. Palache

Spanje | 10-02-2009 | 432x gelezen

Het water ziet er schitterend uit als ik vanaf de duikbasis op de meest zuidelijke punt van Lanzarote, één van de Canarische Eilanden, het water in loop. Een strak blauwe zee, een onbewolkte lucht erboven, een aangename temperatuur en nu al een enorme hoeveelheid vissen.


De baai wordt aan beide zijden omgeven door golfbrekers. In dit beschutte deel is een instructrice bezig met haar les. Een achttal leerlingen zit geknield in het zand in een halve cirkel om haar heen. Ze doen na wat zij voordoet. Tientallen vissen zwemmen er tussendoor. Ikzelf zou op zo’n moment absoluut geen belangstelling voor een instructeur hebben, maar de leerlingen lijken alleen maar oog voor haar te hebben. Ik ga er geruisloos met een boog omheen. Geruisloos, omdat ik met een rebreather op mijn rug geen bellen produceer. Ik adem de warme vochtige lucht in en dat doet weldadig aan.
 
Ik zwem een zandvlakte over, tot even buiten de beschutting van de baai. Het is hier zo’n twintig meter diep. Het water is helder. Niet zo helder als in de tropen, maar in vergelijking met Nederland is het schitterend. Zelfs als de eilanders het zicht buitengewoon slecht vinden (“het is vandaag maar vijf meter”) heb ik het nog steeds fantastisch naar mijn zin. Vandaag is het zicht meer dan twintig meter. Het stroomt een beetje, maar dat maakt de natuur alleen maar interessanter. Anemonen staan met hun armen wijd hun best te doen om langskomend voedsel te vangen. Zeesterren met de meest fantastische kleuren bewegen traag over de bodem. Ik zie een zwarte, maar weet dat dat gezichtsbedrog is. En als ik mijn lamp er op laat schijnen wordt dat bevestigd, het dier is felrood.
 
Ik passeer een wierveldje en zie twee naaktslakken, hevig met elkaar verstrengelt. Het laat zich gemakkelijk raden waar ze mee bezig zijn en het ontlokt me een glimlach. Niet alleen om waar ze mee bezig zijn, maar vooral omdat ze prachtig paars gekleurd zijn. Toch maak ik geen foto. “Te intiem” denk ik bij mezelf en zwem in een rustig tempo door. Ik zie een oranje borstelworm met z’n verraderlijke witte haartjes tussen het wier door glijden. Ze zien er zo mooi uit, maar handcontact is net zo irritant als aanraking met glasvezels. De haartjes breken af en geven allerlei nare ontstekingen. Afblijven dus.
 
Even verderop begint de ‘drop off’, een steile wand naar beneden die doorloopt tot wel 50 meter. Zo bont ga ik het niet maken. Op dertig meter diepte begint het ‘dak’ van een enorme inham in de wand. Dat gat staat ter plaatse bekend als ‘de kathedraal’ vanwege de enorme afmetingen. De bodem bevindt zich op een meter of veertig en loopt schuin omhoog. Het ‘dak’ loopt vanaf dertig meter schuin naar beneden tot het de bodem raakt. Dan ben je inmiddels wel vijftien meter de grot binnen gedrongen. Er is niet veel te zien. Er stond vroeger een enorme kokerworm, maar die zie ik nu niet meer. Verder niets dan zand. Toch is het een interessante plek, omdat er veel tandbaarzen rondzwemmen. Er is er zelfs een die een naam heeft. Hij heeft de kathedraal als soort hangplek en is er vaak te vinden. Bij de duikbasis is hij bekend als ‘Felix’, vraag me niet waar hij die naam aan te denken heeft.
 
Als ik een tijdje rondzwem zie ik hem ineens. Geen idee waar hij vandaan is gekomen. Vissen maken in de regel geen geluid en omdat ik met een rebreather zwem, ben ik vandaag ook onhoorbaar. Het enige geluid dat ik hoor is het getik van de kleppen in mijn mondstuk. Die zorgen er voor dat mijn ademlucht in één richting wordt rondgepompt. Ze maken niet veel geluid, maar iedere keer als ik van ademrichting verander gaat er één open en de ander dicht. Ik ben er aan gewend en het is een soort van geruststellend geluid, voor een ander bijna niet hoorbaar.
 
Felix komt nieuwsgierig dichterbij. Ik zwem langzaam zijn kant uit en we naderen elkaar. Nu pas blijkt het enorme voordeel van een rebreather. Omdat er bij het uitblazen geen bellen met het bijbehorende lawaai ontstaan, is de vis totaal niet bang. Het is een groot dier. Zijn lengte is dik meer dan anderhalve meter en de bek, die door de neerbuigende lijn van de mondhoeken altijd een wat treurige uitdrukking heeft, lijkt door onze nadering steeds groter te worden. Toch voel ik me niet angstig. Ook de vis maakt een evenwichtige, rustige indruk en geeft geen tekenen van agressie of angst. We naderen elkaar steeds meer. Tot we letterlijk neus aan neus liggen. Zijn uitstekende onderlip raakt mijn duikbril bijna aan en we kijken elkaar in de poppetjes van de ogen. Ik moet bijna scheel kijken om alles nog scherp te zien. Het dier kijkt met zijn vissenogen terug, maar ik heb geen idee of hij mij op dezelfde manier ziet als ik hem. Heel langzaam breng ik mijn linkerarm omhoog en laat voorzichtig wat lucht uit mijn vest lopen. Ik probeer niet te veel geluid te maken. Het lukt me om langzaam te zakken en languit op de bodem te gaan liggen. Ik beweeg nauwelijks om geen zand op te dwarrelen. Felix doet mijn kunstje na. Zonder op knoppen te drukken of andere zichtbare handelingen te verrichten zakt hij synchroon met me mee. Hij raakt de bodem niet, hij blijft er 10 cm vandaan. Ik vind dat leuk en blaas nu heel voorzichtig een beetje lucht in mijn vest. Ik begin te stijgen, heel langzaam. Felix blijft me aankijken en volgt me. Ik moet oppassen dat ik niet steeds sneller ga. Remmend met vinnen en iets luchtuitblazend lukt het me mijn snelheid te beperken en uiterst langzaam stijg ik naar het plafond van de grot. Felix kan dat beter dan ik. Volkomen synchroon stijgt hij met me mee, schijnbaar zonder ook maar op enigerlei wijze te bewegen. Ik herhaal het spel door weer een beetje lucht af te blazen. De bellen stijgen naar het plafond en blijven er hangen, steeds het hoogste deel opzoekend. Het is net water dat omhoog stroomt. Felix richt zich even op om het te bekijken, maar komt dan weer in zijn oude positie, met zijn onderlip zowat tegen mijn bril. Samen zakken we naar de bodem. Wonderbaarlijk hoe zo’n dier zich zo gracieus kan bewegen zonder zich er zichtbaar voor in te spannen. Ik probeer de hele voorstelling nog eens te herhalen, maar kennelijk verveelt het hem. Langzaam, vrijwel zonder zichtbare bewegingen zwemt hij achteruit. Ik vraag me af hoe zo’n beest dat doet, ik krijg het na al die jaren duiken nog steeds niet voor elkaar, dat achteruit zwemmen. Als hij de ruimte heeft om te keren draait hij zich statig om en met een paar zwiepen van zijn staart zwemt hij de grot uit, het diepere water weer in. Ik houd er het opwindende en aangename gevoel aan over met een vis gecommuniceerd te hebben.
 
Ik bekijk mijn meterarsenaal, de overgebleven hoeveelheid lucht en zuurstof, de diepte, de partiële zuurstofdruk en de duiktijd en besluit langzaam terug te gaan. Ik zwem op dertig meter langs het rif in de richting van de baai en maak bij het opstijgen twee dieptestops. Op 11 meter kom ik een sterk begroeide rots tegen. Als ik dichterbij kom zie ik ineens een vorm die afwijkt. Niet in kleur, maar in beweging. Waar alles een beetje op de stroming heen en weer wappert is er één deel dat onbeweeglijk blijft en daardoor juist opvalt. Ik ga nog dichterbij en zie dan dat het een zeepaardje is. De staart strak gekruld om een stengeltje. Het beestje is fraai om te zien, maar wel volledig gecamoufleerd. Het gaat vrijwel geheel in zijn omgeving op en is daardoor moeilijk te zien. Het zijn leuke beestjes, maar ik heb de indruk dat ze veel minder contact met hun omgeving maken dan vissen. Om over communicatie maar helemaal niet te spreken.
 
Ik zwem de baai weer binnen, langs één van de twee golfbrekers. Op vijf meter, tijdens het laatste ontgassen, zie ik een murene die voor het grootste deel in een gat in de wand zit. Alleen de kop en een stukje lichaam steken er uit. Bij het zien van een murene valt het me steeds weer op dat ze zo agressief overkomen. Wellicht door de altijd open en dicht gaande bek en de ongelooflijk scherpe tanden er in. Ik zal de truc die ik met Felix deed met een murene zeker niet herhalen. Ik heb ooit eens gezien hoe een murene een succesvolle aanval deed op een papegaaivis. Toen heb ik veel respect gekregen voor de agressiviteit en de kracht van die beesten. “Dat moet zo maar blijven”, denk ik bij mezelf.
 
Als ik mijn spullen heb gespoeld en de duikbasis uit loop, zie ik mijn geliefde op het strandje. Ik loop naar haar toe. We naderen elkaar steeds dichter, tot ik bijna scheel moet kijken om haar nog scherp te zien. Ze kijkt met haar schitterende ogen terug. Het is een prachtig moment, maar toch is het anders…


Aantal keer gestemd: 26x 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Gemiddelde cijfer: 7.1

Reactie Plaatsen
Naam * E-mailadres *
Bericht *